Boudewijnbrug, Antwerpen

De Boudewijnbrug in de Antwerpse haven werd opgebouwd in 1955 in het kader van uitbreidingswerken na post-oorlogse uitgebreide havenactiviteit. Men was inmiddels technisch ver genoeg gekomen om geen gebruik meer te moeten maken van klassieke draaibruggen.

Tijdens deze periode was de zogenaamde Scherzenbrug, of rolbasculebrug, een populair type. Een variatie op deze Scherzenbrug is de brug van het Strausstype, zoals de Boudewijnbrug. Waar de rolbasculebrug als één stijf geheel zijn rotatie maakt, wordt bij het Strausstype gebruik gemaakt van een ingewikkeld systeem waarbij een stelsel van stalen liggers die een parallellogram vormen met scharnierende hoekpunten, worden samengetrokken waardoor het brugdek omhoog gaat. Een van de voordelen van dit type is bijvoorbeeld dat tram- of treinsporen die zich over het brugdek bevinden na het openen terug perfect aansluiten op de sporen in het wegdek, terwijl rolbasculebruggen bij het bewegen steeds een kleine scheeftrekking vertonen waardoor er heel wat problemen zijn rond slijtage van de sporen. Deze innovatieve constructie was zelfs zo vooruitstrevend dat de Boudewijnbrug tentoongesteld werd in het paviljoen van de ingenieurskunsten op Expo ’58.

De aanleiding voor het onderzoek was de wens voor het slopen van de brug. Dit kon enkel op voorwaarde dat de constructie met hoge industrieel-archeologische erfgoedwaarde gedetailleerd zou gedocumenteerd worden. Een van de aspecten hierbij was het uitvoeren van een 3D-scan, waarvoor werd samengewerkt met de Nederlandse firma Pelser-Hartman.